Op 11 maart 2026 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van state (hierna: de Afdeling) uitspraak gedaan inzake spuitzonering (ECLI:NL:RVS:2026:1410). De Afdeling heeft in deze uitspraak geoordeeld over de verlening van een omgevingsvergunning voor de tijdelijke huisvesting van arbeidsmigranten in een glastuinbouwgebied in IJsselmuiden. Daarbij stond centraal of, gelet op de nabijheid van agrarische gronden waar gewasbeschermingsmiddelen worden toegepast, sprake is van een aanvaardbaar woon- en leefklimaat en of de agrarische bedrijfsvoering niet onevenredig wordt beperkt.
Overwegingen Raad van State: spuitzone en voorwaarden
De Afdeling bevestigt dat de huisvesting van arbeidsmigranten in dit geval moet worden aangemerkt als een gevoelige functie. Dit betekent dat bescherming tegen blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen noodzakelijk is. Om het risico op schadelijke gevolgen voor de volksgezondheid te beperken, heeft de Afdeling eerder bepaald dat 50 meter tussen een gevoelige functie en agrarische bedrijvigheid in de regel voldoende risicobeperkend is (zie de uitspraak van 10 februari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:276 onder rechtsoverweging 7.3).
In de casus die zich voordoet in de uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026 is een afstand van circa 17 meter tussen de huisvesting en het agrarisch perceel aanvaardbaar geacht. Dit oordeel is gebaseerd op locatiespecifiek onderzoek en een samenstel van maatregelen en omstandigheden. Uit deskundigenonderzoek blijkt dat een minimale spuitzone van 10 meter toereikend is voor het waarborgen van een goed woon- en leefklimaat. Daarnaast wordt drift van gewasbeschermingsmiddelen aantoonbaar beperkt door het verplicht aanbrengen van kokosmatten, zoals vastgelegd in de vergunningvoorschriften.
Voorts vormt de aanwezigheid van een watergang langs het agrarisch perceel reeds een fysieke beperking voor het gebruik van spuitapparatuur. Gelet op de beperkte omvang van het perceel is machinaal spuiten niet aannemelijk, waardoor toepassing van gewasbeschermingsmiddelen naar verwachting hoofdzakelijk handmatig plaatsvindt. Ten slotte draagt de aanwezige en vergunde bebouwing, bestaande uit een woning, kas en loods, bij aan een verdere afscherming van drift.
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat de kans op relevante blootstelling aan gewasbeschermingsmiddelen in voldoende mate wordt beperkt. De Afdeling volgt het standpunt dat bij de bepaling van de spuitzone geen rekening hoeft te worden gehouden met theoretische maximale gebruiksmogelijkheden (zoals machinaal spuiten), indien deze feitelijk niet aannemelijk zijn. Dit betekent dat de beoordeling mag uitgaan van het reële gebruik van het perceel.
Gelet op het voorgaande kan worden geconcludeerd dat een kortere afstand dan de gebruikelijke 50 meter is toegestaan, mits deze is onderbouwd met locatiespecifiek onderzoek en aanvullende maatregelen, zoals fysieke afscherming met bijvoorbeeld kokosmatten, de risico’s afdoende beperken.
Betekenis voor initiatiefnemers en rol van AROM
De uitspraak van de Afdeling van 11 maart 2026 laat zien dat maatwerk mogelijk is bij ruimtelijke ontwikkelingen nabij agrarische functies. Voor initiatiefnemers betekent dit dat ook bij beperkte afstanden tot agrarische percelen een ontwikkeling juridisch houdbaar kan zijn, mits een zorgvuldige en onderbouwde afweging wordt gemaakt.
AROM kan in dit kader ondersteuning bieden door het uitvoeren en begeleiden van locatiespecifiek onderzoek naar spuitzones en blootstellingsrisico’s. Daarbij worden tevens effectieve mitigerende maatregelen in beeld gebracht, zoals afschermende voorzieningen waaronder kokosmatten.
Daarnaast kan AROM zorgdragen voor het opstellen van een juridisch robuuste ruimtelijke onderbouwing, waarin het feitelijk gebruik en de beperkingen van agrarische percelen centraal staan. Tot slot kan het proces richting het bevoegd gezag worden begeleid, met oog voor de belangen van zowel omwonenden als agrariërs.
Hiermee wordt invulling gegeven aan een evenwichtige afweging tussen ontwikkelingsmogelijkheden en bescherming van het woon- en leefklimaat. Dit betekent dat initiatiefnemers, met de juiste onderbouwing en maatregelen, ook in agrarische contexten ontwikkelruimte kunnen realiseren.